Boek Belgenmonument

100jaarbelgenmonument

Amersfoort besteedt dit jaar ruim aandacht aan het Belgenmonument en de komst van Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Eigenlijk leert de stad het monument nu pas echt goed kennen. Het werd gebouwd door Belgische militairen die in 1914 naar Nederland waren gevlucht. Duizenden van hen belandden in opvangkampen bij Zeist en Harderwijk. Om ze bezig te houden werden door Belgische vertegenwoordigers zogenaamde werkscholen opgericht. Zodat de militairen tijdens hun verblijf een vak konden leren. Als dank aan Nederland bouwden zij in 1917-1918 het door de modernistische architect Huib Hoste ontworpen gedenkteken.

De publicatie ‘100 jaar Belgenmonument in Amersfoort, stilstaan bij WOI’ is geschreven in opdracht van gemeente Amersfoort en verkrijgbaar bij Archief Eemland en VVV Amersfoort.

Advertenties

Nederland en België: het jaar 1938

Leopold III en Wilhelmina 1938
Staatsbezoek Leopold III 1938

Jarenlang waren er spanningen tussen de Lage Landen.
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog maakten sommige Belgische politici zich sterk voor annexatie van Nederlands grondgebied. Ze hadden onder andere het oog laten vallen op Zeeuws-Vlaanderen. Als dat bij België gevoegd zou worden, zou het land de toegang tot de haven van Antwerpen kunnen beheersen. 

Kanaalplannen
Bij de Vrede van Versailles wezen de geallieerden de Belgische aanspraken op Nederlands grondgebied af. Tot opluchting van Nederland. In de jaren die volgden gingen de landen moeizaam met elkaar om. Nederland zette haar neutraliteitspolitiek voort. België zocht militaire samenwerking met Frankrijk. In 1925 sloten beide landen een verdrag over een kanaal van Antwerpen naar Rotterdam. Direct na ondertekening barstte een storm van kritiek los in Nederland. Twee jaar later wees de Eerste Kamer het verdrag alsnog af.

Staatsbezoek
Vanaf 1936 kwamen de landen nader tot elkaar. In 1938 bracht Koning Leopold III een staatsbezoek aan Nederland. Het was het eerste staatsbezoek van een Belgische vorst sinds 1910. In aanwezigheid van Koningin Wilhelmina legde Leopold een krans bij het Belgenmonument te Amersfoort. Ter nagedachtenis aan de Belgische vluchtelingen in Nederland. En als dank voor de ‘edelmoedige hulpvaardigheid’ van het Nederlandse volk.

Tuinontwerp Belgenmonument

In juni 1917 maakten architecten Huib Hoste en Louis van der Swaelmen een gedetailleerde tekening voor de beplanting rond de muur ten zuidwesten van het Belgenmonument. Uit de ondertekening van de ‘voorlopige beplanting om het onderdeel’  blijkt niet dat ze nauw samen werkten. Daar staat alleen de handtekening van Hoste. Van der Swaelmen bleef op de achtergrond.

Landschapsarchitectuur
Dat paste wel bij de opvattingen van de landschapsarchitect. Van der Swaelmen beschouwde stedenbouw en landschapsarchitectuur als een collectieve taak. Het ging niet om de bijdrage van het individu maar om het resultaat van een gezamenlijke inspanning. Dat hoorde bij de moderne tijd. Wie moderne ontwerpen wilde uitvoeren moest optrekken met gelijk gestemde kunstenaars en architecten.

Wederopbouw
In Nederland sloten Hoste en Van der Swaelmen zich aan bij een Nederlands-Belgisch comité voor de wederopbouw van Belgie na de oorlog (Comité Neerlando-Belge d ‘art civique). Voorzitter van dat comité was de bekende Nederlandse architect H.P. Berlage. Het comité was een onderafdeling van de in 1913 te Gent opgerichte Union Internationale des Villes. Van der Swaelmen was daarbij betrokken.
Aan de ontwerptekening is te zien dat kleur en licht-donker effecten een belangrijke rol speelden bij de beplanting.  Lage donkere struiken contrasteerden met Oost-Indische kers. Voor de bloembakken bij het monument zelf was gekozen voor kers en lobelia. Bomen met verschillende hoogte (‘roode beuk’ en ‘groene beuk’) versterkten het visuele effect.
In juli werd het ontwerp goedgekeurd door de opdrachtgevers: Jules Franqui, voorzitter van de administratieve commissie der werkscholen, en Omer Buyse, de organisator.

Afbeelding: Universiteitsarchief Leuven, Archief Huib Hoste P64 (59)

muur bij Belgenmonument
muur bij Belgenmonument

Licht en schaduw

Het monument is symbolisch bedoeld, schreef Louis van der Swaelmen.
Tijdens de bouw van het monument was de oorlog in volle gang. Bij deze grote gebeurtenis paste een ontwerp dat uit grote delen bestond. Architect Huib Hoste had gekozen voor een verdeling in drie bouwmassa’s: een middendeel en twee zijgedeelten. Het rechthoekige ontwerp werd uit bakstenen opgebouwd, waardoor het een massieve en donkere indruk maakte. Een effect dat tegenwoordig wordt versterkt door de schaduw van de omringende bomen.
In zekere zin was die donkere indruk ook de bedoeling. Soberheid moest het bouwwerk uitstralen. Het had een dubbele betekenis volgens Van der Swaelmen: dankbaarheid aan het Nederlandse volk maar vooral ook verdriet om de ellende van de Belgische vluchtelingen tijdens de oorlog. Bij het verdriet paste een ontwerp met grote lijnen dat vooral van afstand tot zijn recht kwam. De plek op de top van de destijds kale Amersfoortse berg was daarom ideaal.
Niets was aan het toeval overgelaten. Het monument was zo geplaatst dat het in de zomer door de ondergaande zon – ‘de gouden stralen der avondzon’ – beschenen zou worden. Daarmee werd de duisternis benadrukt en tegelijk voor even verdreven.
Afbeelding: Monument Commemoratif, François Gos, collectie Universiteitsarchief K.U. Leuven, Archief  R. Verwilghen, 8.1.1.1.16

Hersenarbeiders

 

 

Bond logo 2

 

Beeldhouwer Hildo Krop was een overtuigd pacifist. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog was hij lid van de SDAP, de partij van Pieter Jelles Troelstra. In 1914 bevond deze partij zich in een lastige positie. Voor de oorlog had de partij zich uitgesproken tegen de wapenwedloop, net als veel socialisten in landen als Duitsland en Frankrijk. Na het uitbreken van de vijandelijkheden moesten de socialisten een keuze maken. Troelstra koos de zijde van de regering en stemde in de Tweede Kamer voor het vrijmaken van extra gelden voor het leger: de zogenaamde mobilisatiekredieten. Veel van zijn partijgenoten waren geschokt door deze keuze.
Krop was er daar een van. Hij onderhield contact met het prominente SDAP-lid Rudolf Kuyper, die een uitgesproken tegenstander was van de mobilisatiekredieten.  Kuyper schreef daar een brochure over met de veelzeggende titel: Geen man en geen cent! Vanuit het Friese Weidum hielp Krop bij het verspreiden van Kuyper’s denkbeelden. Toch besloot Krop de SDAP aan het eind van de oorlog de rug toe te keren. In 1919 werd hij lid van de Bond van Revolutionair Socialistische Intellectuelen, waar ook architect H.P. Berlage en geschiedschrijver Jan Romein zich bij aansloten. De Bond had zich tot doel gesteld ‘den overgang naar de communistische samenleving’  voor te bereiden. Intellectuelen konden daar als ‘hersenarbeiders’ een bijdrage aan leveren.

Stadsbeeldhouwer

Scheepvaarthuis

Hoog rijst het gebouw op, als de voorsteven van een oceaanstomer. Het  scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade wordt beschouwd als het beginpunt van de Amsterdamse school. Tegelijk is het een uniek gebouw dat geen navolging kreeg. Het vele beeldhouwwerk aan de gevel en het decoratieve gebruik van baksteen zijn uniek gebleken.
Beeldhouwer Hildo Krop werkte er aan mee. Krop kende architect Piet Kramer, een van de architecten van het Scheepvaarthuis. De leiding van het project was in handen van  J.M. van der Mey, die architecten en beeldhouwers aan het gebouw liet werken zonder te streven naar ‘gemeenschapskunst’. Kunst voor het volk was dit zeker niet. Schoonheid stond voorop. Krop maakte portretten van zeevaarders als Jacob van Neck en Jacob Roggeveen. Zijn bijdrage aan het Scheepvaarthuis vormde het begin van een lange carrière in Amsterdam.
In 1916 trad Krop in dienst als beeldhouwer bij de Dienst Publieke Werken. In de periode na de Eerste Wereldoorlog  maakte hij veel werken voor bruggen en openbare gebouwen in nieuwbouwwijken. Zijn werk is door de hele stad te vinden. In 1956 werd hij officieel benoemd tot  stadsbeeldhouwer van Amsterdam.

 

Hoste uit Brugge

Hoste

Huib Hoste is afkomstig uit een Franstalig katholiek milieu in Vlaanderen. Een bevriende kanunnik, Alfred Duclos, liet Hoste kennismaken met de architectuur van zijn geboortestad Brugge. De jonge Vlaming werkte mee aan een door Duclos uitgegeven boek over bijzondere gevels in de stad: L’art des façades à Bruges. Later ging Hoste studeren  aan de Ecoles spéciales te Gent bij de bekende architect Louis Cloquet, waar hij naar eigen zeggen veel van leerde. In die periode nam hij afstand van bouwstijlen die geïnspireerd waren op het verleden, zoals de neogotiek. De St. Jozef kliniek te Brugge bouwde hij nog in de stijl van de ‘vrije gotiek’.  Daarna ging hij op zoek naar nieuwe vormen in de architectuur. Belangrijke voorbeelden voor vernieuwing vond hij in Nederlandse voorbeelden: onder andere het werk van Berlage en  De Bazel. Na zijn vlucht naar Nederland in 1914 kreeg hij ruim de tijd om zich in de Nederlandse architectuur te verdiepen.

Eerste Wereldoorlog Nederland en Belgie